Creative Minds


pbeurende woorden, troosten, super lief doen… flikker op ermee! Nee, nu nog niet. Laat me… Laat me nou eens even rustig verdrietig zijn, laat me gewoon even klote voelen en laat me zeggen dat jij het bent die me pijn heeft gedaan!
Mag het soms niet? Mag ik niet even verdrinken in mijn verdriet, mag ik het allemaal niet erg vinden soms? Waarom moet ik meteen die gevoelens wegdrukken, me er overheen zetten en doen alsof ik me weer happy voel? Waarom moet ik meteen verder en mag ik niet even hier blijven, bij deze gevoelens. Ik wil nog niet (door jou) getroost worden, ik wil niet (door jou) in de watten gelegd worden, ik wil me nog niet beter voelen (door jou). Ik heb het recht om me verdrietig te voelen als iemand me pijn doet! Mijn volste recht, mijn eerlijke gevoelens, mijn pijn. En ik kijk pas verder, ik wil pas getroost worden (door jou), als ik dat wil. Ik wil niet vluchten, ik wil niets verhullen, ik wil gewoon even mezelf zijn. En ik heb pijn, ik ben gekwetst, ik heb verdriet, ik ben boos (door jou). Mag ik dat ook even voelen? Laat me… laat me met rust!


etekenis Orang Maloe (ofwel Yogi man):
De sage over de Orang Maloe vindt zijn oorsprong op Java (Indonesixeb), later is de saga verder verspreid geraakt oa. door de volksverhuizing van wat nu de Balinezen zijn. Het verhaalt over een man die zich zo erg schaamde om de mensheid dat hij een leven van meditatie koos in de houding waarin hij nog steeds bekend om staat. Van de Orang Maloe wordt wel gezegt dat hij huilt om het leed van de aarde.
Toch kan hij diep in zijn hart gelukkig zijn, want hij heeft vrede en geluk in zichzelf ontdekt. Omdat meditatie en de cultus van de Orang Maloe veel met elkaar verward worden, heet de Orang Malu ook wel Yogi man. Als je de woorden orang (-mens) maloe (-verlegen) rechtstreeks zou vertalen krijg je verlegen mens. Doch hier is de betekenis van het woord maloe bescheidenheid, het introverte en het naar zich zelf gekeerde. De Orang Maloe heeft een ingetogen kracht in zich.
Plaats de Orang Maloe in huis aan de linkerzijde van de ingang. De Orang Maloe zal alles wat hem passeert met zijn positieve kracht beinvloeden. Negatieve energie zal teniet gedaan worden en het kwade gereinigd. Als je de Yogiman goed verzorgd en hem streelt neemt hij je zorgen weg en het geeft rust.


etekenis Hoefijzer:
Het hoefijzer staat voor bescherming en geluk. Je ziet heel vaak hoefijzers gespijkerd boven deuren en aan masten van schepen. Veel hoefsmeden bevestigen een hoefijzer vandaag de dag nog steeds met 7 (het geluksgetal) hoefnagels. Meestal zie je een hoefijzer aan de muur hangen met de opening naar boven als een letter U.

etekenis Boeddha:
De lachende boeddha, ook bekend als de maitreya boeddha, ofwel de boeddha van de toekomst. Dit is een symbool van geluk, vriendelijkheid en onschuldige vreugde. Hij zou grote welstand kunnen brengen en hij was de schutspatroon van de goudsmeden in het oude China. Zijn ronde buik wordt beschouwd als een lichamelijke voorstelling van geluk en rijkdom. Wie een keer per dag over zijn buik wrijft, zou zijn kansen op fortuin vergroten.

Woohoow, de tweede gok was meteen raak.
Ze zei nog ‘dat deze wel moeilijk was’, maar toch heeft Teetje het direct goed!
Proficiat Teetje! Hierdoor sta je met een voorsprong aan kop op de scorelijst!!


k ben de glazenwasser en de wasserij,
ik ben de tuinman, ik hou het netjes bij.
Geloof mij: heel dit raderwerk staat stil,
wanneer mijn moede arm eens niet wil.
Ik ben gepromoveerd: psychologie,
gewoon aan huis kreeg ik de theorie.
Soms is het mij of ik angstig droom,
want ik ben ook pedagoog en econoom.
Ik ben de keeper, vang alles op,
En alle missers, die vallen op mijn kop.
Ik ben gezinshulp in mijn eigen huis,
all-round verpleegster zonder kruis.
Ik ben de strijkmachien, de poetsmachien,
de zoek-eens-opmachien en ik-zie-het-nietmachien.
Ook ben ik kok, een kok met variatie,
maar niemand vindt dit eigenlijk een prestatie.
Je staat verbaast wat een mens nog tijd voor vindt,
want ik kreeg zo nu en dan ook nog een kind.
En pastte dat weer in het programma in,
want ik werd babysitter en de min.
Ik ben de huiswerkcursus, onbetaald,
dus heb ik al mijn talen opgehaald.
En soms moet ik een spreekbeurt maken,
dat zijn dan de meer interessante taken.
U hoort het wel, ik ben me goed bewust,
van de verantwoordelijkheid die op mij rust.
Ik ben uniek, meneer, en nimmer te vervangen,
achter “beroep” vul ik dus netjes in:
“Manager van het gezin”
Lees eerst #Part One#, #Part Two# en #Part Three# r gingen dagen en weken voorbij. De glimmende zeisen van de maaiers blonken in de korenvelden, de takken van de appelboom bogen door onder hun rode en gele vruchten; de hop geurde heerlijk en zat vol dikke knoppen, en onder de hazelaars, waaraan de noten in zware trossen hingen, rustten man en vrouw, de zomer met zijn ernstige vrouw.
‘Overal zegen, huiselijkheid en goedheid. Maar toch – ik weet het niet, ik verlang naar rust, kalmte, ik weet er zelf het goede woord niet voor! Ze ploegen alweer op het veld. De mensen willen steeds meer! Kijk, de ooievaars vliegen in troepen op een afstand achter de ploeg aan; de vogels uit Egypte, die ons op hun rug hebben meegebracht! Weet je nog hoe we als kinderen in de landen van het noorden aankwamen? Bloemen hebben we meegebracht, rijke zonneschijn en groene bossen. Daar is de wind nu niet zo aardig voor geweest, ze worden bruin en donker, net als de bomen in het zuiden, maar ze hebben geen gouden vruchten zoals de bomen in het zuiden!’ ‘Die krijg je ook te zien,’ zei de zomer. ‘Verheug je er maar vast op!’
En hij hief zijn arm op en de bladeren van het bos werden rood en goud gekleurd, alle bossen vertoonden een kleurenpracht. De rozenhaag glansde van de vuurrode rozebottels, de vliertakken zaten vol zware, zwarte bessen, de wilde kastanjes vielen rijp uit hun donkergroene bast en in het bos bloeiden de viooltjes voor de tweede keer.
Maar de koningin van het jaar werd steeds stiller en bleker. ‘Er is een koude wind,’ zei ze, ‘de nacht heeft koude nevels! Ik verlang naar… het land van mijn jeugd!’ Ze zag de ooievaars wegvliegen, xe9xe9n voor xe9xe9n, en ze strekte haar handen naar ze uit. Ze keek naar de nesten die leeg stonden. In een ervan groeide een korenbloem met zijn lange stengel en in een ander de gele wilde radijs, alsof het nestje er alleen was om ze te beschermen, als een hekje. De mussen gingen erheen. ‘Piep, waar zijn meneer en mevrouw gebleven? Die houden zeker niet van wind en toen zijn ze uit het land vertrokken. Goede reis!‘
De bladeren in het bos werden steeds geler. Blad na blad viel, de najaarsstormen woeien, het was laat in de herfst. Op de gele bladeren lag de koningin van het jaar met zachte blik naar de fonkelende ster te kijken en haar man stond naast haar. Er ging een windvlaag door de bladeren – hij ging weer liggen en toen was zij weg, maar er vloog een vlinder, de laatste van het jaar, door de koude lucht. De vochtige nevels kwamen eraan, de ijzige wind en de donkere, lange nachten. De vorst van het jaar stond daar met sneeuwwitte haren, maar dat wist hij zelf niet, hij dacht dat het door de sneeuwvlokken kwam, die uit de wolken vielen. Er lag een dun laagje sneeuw op de groene velden.
De kerkklokken luidden Kerstmis in. ‘De geboorteklokken luiden!’ zei de vorst van het jaar. ‘Weldra wordt het nieuwe koninklijk paar geboren en dan krijg ik rust, zoals mijn vrouw. In de blinkende sterren te mogen rusten!’ In het frisse groene dennenbos stond de kerstengel de jonge bomen die mee mochten naar het feest, in te wijden. ‘Vreugde in de huizen en onder de groene takken!’ zei de oude vorst van het jaar. In de laatste weken was hij sneeuwwit geworden van ouderdom. ‘Mijn tijd is gekomen, het jonge paar van het jaar wordt nu van kroon en scepter voorzien.’
‘Maar de macht ligt nog bij jou!’ zei de kerstengel. ‘De macht en niet de rust. Laat de sneeuw het jonge zaad op de akker nog even warmen, leer te verdragen dat een ander gehuldigd wordt en jij toch de heerser bent, leer vergeten te zijn en toch te leven. Het uur van je bevrijding komt, als de lente komt.’ ‘Wanneer komt de lente?’ vroeg de winter.
‘Die komt als de ooievaar komt.’ Met witte lokken en een sneeuwwitte baard zat de ijskoude winter, oud en gebogen, maar sterk als de winterstorm en het ijs, hoog in de sneeuw op de heuvel naar het zuiden te kijken, zoals de winter vxf3xf3r hem had zitten uitkijken. Het ijs kraakte en de sneeuw kraakte, de schaatsers zwierden over de glanzende meren; raven en kraaien zagen er goed uit tegen die witte achtergrond, geen windje roerde zich. In de stille lucht balde de winter zijn vuisten en het ijs werd metersdik tussen de landen.
Toen kwamen de mussen uit de stad weer vragen: ‘Wie is die oude man daar?’ En de raaf zat er weer, of een zoon van hem, wat op hetzelfde neerkomt, en die zei: ‘Het is de winter, die oude man van vorig jaar. Hij is niet dood, zoals de almanak zegt, maar hij is de voogd van de lente die eraan komt.’ ‘Wanneer komt de lente?’ vroegen de mussen. ‘Want dan krijgen we een betere tijd en een betere regering. Die oude deugt niet!’
In gedachten verzonken knikte de winter naar het zwarte bos zonder bladeren, waar iedere boom de mooie vorm en de kromming van zijn takken liet zien; en tijdens zijn winterslaap zonken de ijzige nevels uit de wolken. De vorst droomde van zijn jeugd en van zijn volwassen jaren, en in de dageraad was het hele bos mooi van de rijm, dat was de zomerdroom van de winter. De zon liet de rijm weer van de takken vallen. ‘Wanneer komt de lente?’ vroegen de mussen.
‘De lente!’ klonk het als een echo van de heuvels waar de sneeuw lag. De zon scheen steeds warmer, de sneeuw smolt, de vogels kwetterden: ‘Het wordt lente!’ Hoog door de lucht kwam de eerste ooievaar aanvliegen, gevolgd door de tweede. Er zat een lief kindje op hun rug en ze daalden neer op het open veld, ze kusten de grond en ze kusten de oude, zwijgzame man, en hij verdween, als Mozes op de berg, gedragen door de mist. Het verhaal van het jaar was uit. ‘Heel juist!’ zeiden de mussen. ‘En het is ook heel mooi, maar het gaat niet volgens de almanak en dan is het mis!’
EINDE
“Het verhaal van het jaar” – Hans Christian Andersen
Lees eerst #Part One# en #Part Two#
e lente! klonk het over veld en wei en door de donkerbruine bossen, waar het mos fris groen op de stammen glom. Door de lucht kwamen, uit het zuiden, de eerste twee ooievaars aangevlogen. Ze hadden ieder een lief kindje op hun rug, een jongen en een meisje. Ze kusten de grond ter begroeting en waar ze hun voetjes neerzetten, kwamen er witte bloemen onder de sneeuw vandaan.
Hand in hand liepen ze op de oude ijsman, de winter, af, vleiden zich ter begroeting aan zijn borst en op hetzelfde moment waren ze verdwenen, en met hen het hele landschap; een dikke, wit te mist, dicht en zwaar, omhulde alles. Even later kwam er weer lucht – de winter vloog weg, met sterke windvlagen kwam hij de mist verjagen, de zon scheen lekker warm – de winter zelfwas verdwenen, de lieve kinderen van de lente zaten op de troon van het jaar. ‘Dat noem ik nieuwjaar!’ zeiden de mussen. ‘Nu worden we weer in onze rechten hersteld en krijgen we schadevergoeding voor die strenge winter!’
Waarheen de twee kinderen zich ook wendden, ontbotten er aan struiken en bomen groene knoppen, werd het gras hoger en de gezaaide akker steeds lieflijker en groener. Het kleine meisje strooide bloemen in het rond; ze had ze in overvloed in haar rokje. Ze leken daar te groeien, het bleef vol, hoe vlijtig ze ook strooide – in haar ijver schudde ze een hele sneeuwbui van bloemen over de appel- en perzikbomen, zodat die volop in bloei stonden, nog vxf3xf3r ze groene bladeren hadden. Ze klapte in haar handen en het jongetje klapte mee en er kwamen vogeltjes te voorschijn, je wist niet waarvandaan, en allemaal kwetterden ze en zongen:
De lente is gekomen!’
Het was prachtig om te zien. Menig oud moedertje kwam in haar deur in de zon staan en rilde even, keek naar de gele bloemen die op het weiland prijkten, net als in haar jonge jaren. De wereld werd weer jong. ‘Wat is het vandaag heerlijk buiten!’ zei ze.
Het bos was nog bruin-groen, knop aan knop, maar het lievevrouwebedstro was uitgekomen, heel fris en geurig, er waren viooltjes bij de vleet, anemoontjes, primula’s en sleutelbloemen. In ieder grassprietje zat kracht, het was echt een prachtig tapijt om op te zitten, en daar zat het jonge paar van de lente eikaars hand vast te houden. Ze zongen en lachten en groeiden steeds meer. Er viel een zacht regentje uit de hemel. Ze merkten het niet, de regendruppels en de tranen van vreugde werden xe9xe9n. Bruid en bruidegom kusten elkaar en op dat moment ontsprong het bos. Toen de zon opkwam, waren alle bossen groen! Hand in hand liep het bruidspaar onder het frisse, afhangende dak van bladeren, waar alleen de stralen van de zon en de slagschaduwen afwisseling gaven in het groen. De fijne blaadjes bezaten een maagdelijke zuiverheid en een verfrissende geur. Helder en levendig ruisten rivier en beek tussen de fluweelgroene biezen en over de veelkleurige stenen. ‘Eeuwig en altijd is het en blijft het!’ zei de hele natuur. En de koekoek zong en de leeuwerik sloeg, het was heerlijke lente. Maar de wilgen hadden hun bloemen nog wanten aangedaan, die waren zo ijselijk voorzichtig, en dat is vervelend!
Zo gingen er dagen en weken voorbij, de warmte sloeg als het ware neer. Golven van hete lucht gingen door het koren, dat steeds geler werd. De witte lotus van het noorden op de bosvennen spreidde haar grote, groene bladeren uit over de waterspiegel en de vissen zochten er beschutting onder. En in de luwte van het bos, waar de zon op de boerenhuisjes brandde en de uitgekomen rozen stoofde, waar de kersebomen volhingen met sappige, zwarte, bijna zonwarme vruchten, zat de mooie vrouw van de zomer, dezelfde die we als kind en als bruid hebben gezien; en ze keek naar de opstijgende, donkere wolken, die zich als golven, als bergen, donkerblauw, zwaar, steeds hoger verhieven. Ze kwamen van drie kanten; als een versteende, omgekeerde zee zonken ze steeds dieper naar het bos, waar alles als door toverkracht verstilde. Ieder zuchtje wind was gaan liggen, iedere vogel zweeg; er was ernst en verwachting in de natuur, maar op de wegen en paden haastten mensen in rijtuigen, te paard en te voet zich om onder dak te komen.
Toen kwam er ineens een licht alsof de zon doorbrak, glanzend, verblindend en alles verzengend; meteen daarop, na een rollende donderslag, werd het weer donker. Het water stortte in stromen neer; het werd nacht en het werd dag, er was stilte en er was geraas. De jonge rietstengels in het veen bewogen hun bruine pluimen in lange golven, de takken in het bos waren in nevels van water gehuld, duisternis kwam en ging, stilte kwam en ging. Gras en koren lagen neergeslagen, als weggespoeld, alsof ze nooit meer overeind zouden komen. – Opeens viel de regen weer in afzonderlijke regendruppels, de zon scheen en op strootjes en blaadjes glansden waterdruppels als parels, de vogels zongen, de vissen sprongen op uit het rivierwater, de muggen dansten en op de rots in het zoute, schuimende zeewater zat de zomer zelf, een krachtig gebouwde man, met gespierde ledematen, en met drijfnatte haren. Verjongd door het verfrissende bad zat hij in de warme zon. De hele natuur om hem heen was verjongd, alles stond er weelderig, krachtig en mooi bij. Het was zomer, heerlijke, warme zomer.
Lieflijk en zoet was de geur die opsteeg uit het weelderige klaverveld. De bijen zoemden om de oude plaats waar vroeger recht werd gesproken; de braamran ken slingerden zich rond de altaarsteen, die, gewassen door de regen, in het zonlicht glansde. Daar vloog de bijenkoningin met haar zwerm naar toe, daar verborgen ze was en honing. Niemand zag het, alleen de zomer en zijn sterke vrouw. Voor hem was de altaartafel gedekt met de offergaven van de natuur. De avondhemel straalde als goud, geen kerkkoepel is zo kostbaar, en de maan scheen door avondrood en morgenrood.
Het was zomer.
To be continued!
“Het verhaal van het jaar” – Hans Christian Andersen


Het was een Parkeerschijf.
Het werd vrij snel geraden door Teetje. Dit brengt haar op No.1 van de scorelijst. Gefeliciteerd Teetje!!